SAMENGESTELDE ZINNEN Grammatica van hoofdstuk 4 SOORTEN ZINNEN

  • Slides: 11
Download presentation
SAMENGESTELDE ZINNEN Grammatica van hoofdstuk 4

SAMENGESTELDE ZINNEN Grammatica van hoofdstuk 4

SOORTEN ZINNEN Enkelvoudige zinnen hebben 1 persoonsvorm Meervoudige zinnen hebben meerdere persoonsvormen. Een meervoudige

SOORTEN ZINNEN Enkelvoudige zinnen hebben 1 persoonsvorm Meervoudige zinnen hebben meerdere persoonsvormen. Een meervoudige zin bestaat eigenlijk uit verschillende losse zinnen die een geheel vormen. Vergelijk: Ik heb mijn huiswerk gemaakt. Mijn moeder zegt dat ik een koekje mag.

STAPPENPLAN: STAP 1 Onderstreep de persoonsvormen: 1 persoonsvorm? Dan enkelvoudige zin meerdere persoonsvormen? Dan

STAPPENPLAN: STAP 1 Onderstreep de persoonsvormen: 1 persoonsvorm? Dan enkelvoudige zin meerdere persoonsvormen? Dan samengestelde zin Voorbeelden: Ik heb mijn huiswerk gemaakt. (enkelvoudig) Mijn moeder zegt dat ik een koekje mag. (samengesteld) Ik fiets eerst naar school en ik loop daarna naar huis. (samengesteld)

MEERVOUDIGE ZINNEN - - Er zijn 2 soorten zinnen bij meervoudige zinnen: Hoofdzinnen: in

MEERVOUDIGE ZINNEN - - Er zijn 2 soorten zinnen bij meervoudige zinnen: Hoofdzinnen: in deze zinnen kun je geen enkel woord tussen persoonsvorm en onderwerp zetten. De pv staat vooraan in de zin. Bijzinnen: in deze zinnen kun je een woord tussen de persoonsvorm en het onderwerp zetten. De pv staat achteraan in de zin. O Hij O zei niet (? ) dat hij ging niet (? ) fietsen.

STAPPENPLAN: STAP 2 Kun je een woord tussen persoonsvorm en onderwerp zetten en staat

STAPPENPLAN: STAP 2 Kun je een woord tussen persoonsvorm en onderwerp zetten en staat de pv ergens achteraan in de zin? Ja, dan is het een bijzin Nee, dan is het een hoofdzin Voorbeelden: Mijn moeder zegt dat ik een koekje mag. Mijn moeder (niet) zegt – kan niet dus hoofdzin ik een koekje mag – staat iets tussen dus bijzin Ik fiets eerst naar school en ik loop daarna naar huis. Ik (niet) fiets – kan niet dus hoofdzin Ik (niet) loop – kan niet dus hoofdzin

SOORTEN MEERVOUDIGE ZINNEN Nevengeschikte zin - deze zin bestaat uit 2 hoofdzinnen [………. .

SOORTEN MEERVOUDIGE ZINNEN Nevengeschikte zin - deze zin bestaat uit 2 hoofdzinnen [………. . ]hoofdzin […………]hoofdzin Ondergeschikte zin - deze zin bestaat uit een hoofdzin en een bijzin […………. . [……. ]bijzin]hoofdzin [[……. ]bijzin ………… ]hoofdzin [……. ]bijzin …. . ]hoofdzin

STAPPENPLAN: STAP 3 Bekijk de soorten zinnen in de samengestelde zin. hoofdzinnen? Dan heb

STAPPENPLAN: STAP 3 Bekijk de soorten zinnen in de samengestelde zin. hoofdzinnen? Dan heb je een nevengeschikte zin hoofdzin en bijzin? Dan heb je een ondergeschikte zin Voorbeelden: b) [Mijn moeder zegt [dat ik een koekje mag. ]] hoofdzin en bijzin dus ondergeschikt c) [Ik fiets eerst naar school] en [ik loop daarna naar huis. ] Hoofdzin en hoofdzin dus nevengeschikt

ZINNEN ONTLEDEN Een hoofdzin kun je in zinsdelen verdelen en helemaal ontleden. Elke hoofdzin

ZINNEN ONTLEDEN Een hoofdzin kun je in zinsdelen verdelen en helemaal ontleden. Elke hoofdzin kan alle zinsdelen bevatten. […/…/…. . ]hoofdzin […/…/…/…]hoofdzin Een bijzin is een onderdeel van de hoofdzin. Een bijzin kun je niet verder ontleden, het is 1 zinsdeel. Je geeft het dan ook de naam van een zinsdeel met de toevoeging –zin O-zin, LV-zin, BWB-zin etc. […/…/…/…. . [……. ]bijzin]hoofdzin [[……. ]bijzin /…/……/… ]hoofdzin […/…. . /[……. ]bijzin /…/. . ]hoofdzin

STAPPENPLAN: STAP 4 Ontleed de zinnen op de volgende manier. Nevenschikkende zin: alle zinsdelen

STAPPENPLAN: STAP 4 Ontleed de zinnen op de volgende manier. Nevenschikkende zin: alle zinsdelen benoemen, het voegwoord blijft dan over, hier zet je VW boven. Per zin kun je dus twee keer een O, BWB, LV etc. hebben. Onderschikkende zin: alle zinsdelen benoemen. De bijzin is ook een zinsdeel en geef je dus 1 naam, het verbindingswoord hoort daarbij. Een bijzin noem je Ozin, VV-zin, BWB-zin etc.

STAPPENPLAN: STAP 4 Voorbeelden: O WG LV-zin [Mijn moeder / zegt / [dat ik

STAPPENPLAN: STAP 4 Voorbeelden: O WG LV-zin [Mijn moeder / zegt / [dat ik een koekje mag. ]] O WG BWB VW [Ik / fiets / eerst / naar school] en O WG BWB [ik / loop / daarna /naar huis. ]

STAPPENPLAN uitleg voorbeelden 1. Onderstreep de persoonsvormen: Ik heb mijn huiswerk gemaakt. (enkelvoudig) 1

STAPPENPLAN uitleg voorbeelden 1. Onderstreep de persoonsvormen: Ik heb mijn huiswerk gemaakt. (enkelvoudig) 1 persoonsvorm? Dan enkelvoudige zin Mijn moeder zegt dat ik een koekje mag. (samengesteld) 2 persoonsvormen? Dan samengestelde zin 2. Kun je een woord tussen persoonsvorm en onderwerp zetten en staat de pv achteraan in de zin? Ja, dan is het een bijzin Nee, dan is het een hoofdzin 3. Bekijk de soorten zinnen in de samengestelde zin. Mijn moeder zegt dat ik een koekje mag. Mijn moeder (niet) zegt – kan niet dus hoofdzin ik een koekje mag – staat iets tussen dus bijzin [Mijn moeder zegt [dat ik een koekje mag. ]] hoofdzin en bijzin dus ondergeschikt hoofdzinnen? Dan heb je een nevengeschikte zin hoofdzin en bijzin? Dan heb je een ondergeschikte zin [Ik fiets eerst naar school] en [ik loop daarna naar huis. ] Hoofdzin en hoofdzin dus nevengeschikt 4. Ontleed de zinnen op de volgende manier. Nevenschikkende zin: alle zinsdelen benoemen, het voegwoord blijft dan O WG LV-zin [Mijn moeder / zegt / [dat ik een koekje mag. ]] over, hier zet je vw boven. Per zin kun je dus 2 keer een O, BWB, LV etc. hebben. Onderschikkende zin: alle zinsdelen benoemen. De bijzin is ook een zinsdeel en geef je dus 1 naam, het verbindingswoord hoort daarbij. Een bijzin noem je O-zin, VV-zin, BWB-zin etc. O WG BWB VW O WG BWB [Ik / fiets / eerst / naar school] en [ik / loop / daarna /naar huis. ]