Open vraag • Open vragen: • beginnen met hoe, wat, waarom etc. • laten de ander praten • leveren veel informatie op • Het antwoord is niet ‘ja’ of ‘nee’
Gesloten vraag • • Wat, wanneer… “Klopt het dat…” “Bent u het ermee eens dat…” Het antwoord is ‘ja’ of ‘nee’
Trechtertechniek • Afwisselend open en gesloten vragen stellen
Alternatief vraag • • Ook wel: keuzevraag De ander heeft de keuze tussen 2 zaken “Wilt u koffie of thee? ” “Zullen we dinsdag of woensdag afspreken? ”
Hypothese vraag • Je vraagt de ander om zich in een denkbeeldige situatie te verplaatsen • “Stel dat…” • “Heeft u wel eens meegemaakt dat. . ? “
Suggestieve vraag • • Je leidt de ander naar een antwoord toe. Suggereert dat het goed, slecht etc. is “Ik veronderstel dat. . . ” “Ik neem aan dat…“
Reflecterende vraag • De vragensteller vat samen • Controleren of je het goed begrepen hebt • “Dus als ik het goed begrijp…? ” • “U bedoelt dus dat…? ”
Retorische vraag • Er wordt geen antwoord verwacht • De vragensteller geeft zelf antwoord • Je gaat ervan uit dat het antwoord voor de hand ligt • Handig bij presentaties
Stomme vraag • Non-verbaal • Schouders ophalen, wenkbrauwen optrekken etc.