Hoofdstuk 4 Grammatica en spelling Woordsoorten 1 Noordhoff

  • Slides: 9
Download presentation
Hoofdstuk 4 Grammatica en spelling Woordsoorten (1) © Noordhoff Uitgevers bv 2013 2 vmbo-bk

Hoofdstuk 4 Grammatica en spelling Woordsoorten (1) © Noordhoff Uitgevers bv 2013 2 vmbo-bk 1 F

Wat zijn woordsoorten? ● ● ● Kijk eens goed om je heen. Weet jij

Wat zijn woordsoorten? ● ● ● Kijk eens goed om je heen. Weet jij alle namen van de leerlingen in de klas? Zijn er veel verschillende namen in je klas? Of zijn er ook namen hetzelfde? In dit hoofdstuk kijken we naar zinnen. Een zin is eigenlijk ook een soort klas: er zitten veel verschillende woorden in.

Wat zijn woordsoorten? ● ● ● Inderdaad, een zin is ook een soort klas.

Wat zijn woordsoorten? ● ● ● Inderdaad, een zin is ook een soort klas. Een zin bestaat uit verschillende woorden. En alle woorden hebben een naam Alle woorden hebben een naam. Dus zijn er allerlei soorten woorden. Daarom hebben we in de Nederlandse taal verschillende woordsoorten.

Welke woordsoorten leren we in dit hoofdstuk? ● ✔ ✔ Je weet nu dat

Welke woordsoorten leren we in dit hoofdstuk? ● ✔ ✔ Je weet nu dat er in de Nederlandse taal woordsoorten bestaan. Deze woordsoorten leer je in dit hoofdstuk: Het zelfstandig naamwoord Het lidwoord

Het zelfstandig naamwoord ● ✔ ✔ ● Zelfstandige naamwoorden zijn: Mensen (burgemeester, Piet, vrouw)

Het zelfstandig naamwoord ● ✔ ✔ ● Zelfstandige naamwoorden zijn: Mensen (burgemeester, Piet, vrouw) Dieren (hond, mier, nijlpaard) Planten (geranium, struik, cactus) Dingen (spijker, tafel, boek) En hoe kun je dit onthouden? Van de eerste twee letters van deze woorden maak je één woord: Me. Di. Pla. Di

Het zelfstandig naamwoord Me. Di. Pla. Di kun je niet altijd gebruiken. Soms is

Het zelfstandig naamwoord Me. Di. Pla. Di kun je niet altijd gebruiken. Soms is een woord een zelfstandig naamwoord en dan zie je het niet. Wat doe je dan? > Je kunt een zelfstandig naamwoord in het meervoud zetten: reis – reizen > Je kunt een zelfstandig naamwoord verkleinen: reis – reisje

Het lidwoord ● ✔ ✔ ✔ ● Het lidwoord heeft met het zelfstandig naamwoord

Het lidwoord ● ✔ ✔ ✔ ● Het lidwoord heeft met het zelfstandig naamwoord te maken. Het lidwoord kun je namelijk voor een zelfstandig naamwoord zetten: Hond: De hond Meisje: Het meisje Mobieltje: Een mobieltje Er zijn dus maar drie lidwoorden, die kun je makkelijk onthouden: de, het, een

Wat heb je geleerd? ● ● ● Alle woorden in een zin hebben een

Wat heb je geleerd? ● ● ● Alle woorden in een zin hebben een naam. Daardoor kennen we in de Nederlandse taal allerlei woordsoorten. De woordsoorten die je in dit hoofdstuk leert zijn het zelfstandig naamwoord en het lidwoord.

Oefenen! ● ● ● De docent wijst een leerling aan. Deze noemt een lidwoord.

Oefenen! ● ● ● De docent wijst een leerling aan. Deze noemt een lidwoord. De docent wijst een volgende leerling aan en deze noemt een zelfstandig naamwoord. De derde leerling die de docent aanwijst, maakt hier een zin van. Maak met je klas minstens 10 zinnen. De docent schrijft alle zinnen op het bord.