Kenmerken Fascisme Ultranationalistisch En krachtige leider leidersbeginsel Eigen
Kenmerken Fascisme – Ultranationalistisch – Eén krachtige leider (leidersbeginsel) – Eigen volk eerst – Ongelijkwaardigheid van de mens – Totalitair (de staat controleert alles) – Verheerlijking van de daad – De vrouw is ondergeschikt aan de man – Negatief, een ‘anti-stroming’, men is tegen: • Persoonlijke vrijheid • Parlementaire democratie • Socialisten en communisten
Nationaalsocialisme (het Duitse fascisme) • Zie de 8 kenmerken van fascisme • + Rassenleer, drie soorten: • Eén hoogwaardig ras (Ariërs) • Minderwaardige rassen (Slavische volkeren) • Verderfelijke rassen (Joden, zigeuners, homoseksuelen, gehandicapten) • + Nazi’s waren radicaler, ofwel meer totalitair. • (ALLEEN VWO) + Hitler gebruikte de staat tot middel van zijn doel (overheersing door Arische ras).
• Let op: nationaalsocialisten zijn tegen socialisten. Hitler gebruikte het woord ‘socialisme’ in zijn stroming om socialisten op hem te laten stemmen. • Afkorting van nationaalsocialisme: nazi.
Hoe verliep het Duitsland na WO I? 1919: Vrede van Versailles. Duitsland krijgt de schuld van de oorlog van moet grote herstelbetalingen doen. Duitsland heet vanaf dan de Weimar Republiek. 1919/20: een communistische en een rechts-nationalistische staatsgreep mislukt. 1922: Duitsland blijft achter met betalingen. Fransen bezetten een deel van Duitsland. 1924 (na 1923): bloeit de economie door Amerikaanse leningen op. 1929: de Amerikaanse economie crasht (Grote Depressie) en dit waait over naar Duitsland. Gevolg: werkeloosheid en armoede. Grote ontevredenheid van Duitse burgers.
1919/20: een communistische en een rechts-nationalistische staatsgreep mislukt.
1922: Duitsland blijft achter met betalingen. Fransen bezetten een deel van Duitsland.
1929: de Amerikaanse economie crasht (Grote Depressie) en dit waait over naar Duitsland. Gevolg: werkeloosheid en armoede.
Hoe kwam Hitler aan de macht? 1920: Hitler richt zijn partij op: NSDAP 1923: staatsgreep van Hitler mislukt 1929: economische crisis 1932: Hitler’s partij wordt grootste partij 1933: jan - Hitler wordt rijkskanselier feb - Door Rijksdagbrand krijgt Hitler meer bevoegdheden mrt – verkiezingen voor meer macht, door intimidatie lukt dat 1934: Hitler wordt de Führer (de absolute leider) van Duitsland.
SA • Knokploegen SS • Militaire organisatie
1. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
2. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
3. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
4. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
5. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
1. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
Verheerlijking van de daad, kracht & geweld (6)
2. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
Fascisme is negatief. Ze zijn tegen communisten (8)
3. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
Leidersbeginsel (één krachtige leider aan de macht) (2)
4. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
Vrouwen hebben een aparte plaats (7)
5. Welk(e) element(en) van het fascisme of nationaalsocialisme herken je hier?
Leiderbeginsel (2) of belang eigen groep (3)
1. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Ongelijkheid 2. Rassenleer 3. Vrouwen zijn ondergeschikt
2. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Mussolini 2. Italië 3. Duitsland
3. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Nationalisme 2. Zwarthemden 3. Bruinhemden
4. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Duce 2. Führer 3. Totalitair
5. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Tegen democratie 2. Tegen communisten 3. Tegen Joden
1. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Ongelijkheid 2. Rassenleer 3. Vrouwen zijn ondergeschikt
1. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Ongelijkheid 2. Rassenleer 3. Vrouwen zijn ondergeschikt
2. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Mussolini 2. Italië 3. Duitsland
2. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Mussolini 2. Italië 3. Duitsland
3. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Nationalisme 2. Zwarthemden 3. Bruinhemden
3. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Nationalisme 2. Zwarthemden 3. Bruinhemden
4. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Duce 2. Führer 3. Totalitair
4. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Duce 2. Führer 3. Totalitair
5. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Tegen democratie 2. Tegen communisten 3. Tegen Joden
5. Welke van de 3 termen hoort niet bij fascisme 1. Tegen democratie 2. Tegen communisten 3. Tegen Joden
Nacht van de Lange Messen (1934) SS ruimt SA op
SS, de Schutzstaffel (beschermingsafdeling)
Wat te leren voor de toets • Hoofdstuk 2 (p. 6 – 11) • Kenmerken fascisme/ nazisme (p. 12 -13) • Begrippenlijst (p. 14) Let op: begrippen van H 1 achterwege laten • Overslaan: hoofdstuk 1 (p 2 -5)
Wat wil de tekenaar zeggen? Gebruik twee beeldelementen. - Mussolini zegt: Ik vraag me af wie de scherpste bijl krijgt? - Op de slijpsteen staat: ‘Totalitairisme’ - Stap 1: Bekijk de prent zonder oordeel. - Wat zie je? - Wat staat er bij? - Stap 2: Interpreteer. - Hoe zijn mensen getekend? - Symboliek? - Overdrijvingen, tegenstellingen? - Stap 3: Zoek mening - Gebruik je basiskennis
Wat wil de tekenaar zeggen? Gebruik twee beeldelementen. Titel: Voor het geval hij te ver marcheert - Op de bol staat: ‘Fijne, veilige conservatieve remmen’ - Stap 1: Bekijk de prent zonder oordeel. - Wat zie je? - Wat staat er bij? - Stap 2: Interpreteer. - Hoe zijn mensen getekend? - Symboliek? - Overdrijvingen, tegenstellingen? - Stap 3: Zoek mening - Gebruik je basiskennis
Mussolini veroverde in 1936 Ethiopië. ‘Gifgas’ staat op de containers die hij vast heeft. Welke mening heeft de tekenaar over de verovering? De tekenaar vindt de verovering barbaars/laf, omdat hij weerloze Ethiopische burgers tekent die gestorven zijn door het gifgas.
Duitsland verloor in 1918 de Eerste Wereldoorlog. Aan wie lag dat volgens de tekenaar? Welk begrip kun je hier aan koppelen? Antwoord: de joden (zie joodse ster op muts), begrip is dolkstootlegende
Het Molotov-Ribbentroppact (1939) waarbij Hitler en Stalin beloofden elkaar niet aan te vallen. Wat zijn volgens de tekenaar de gevolgen hiervan? Antwoord: de neutraliteit van andere landen kwam in het gevaar. Het risico op oorlog werd door het pact van de nazi’s en de sovjets groter.
Toelichting Boven: Een Ariër is lang, slank, blond… en een held zoals mijzelf Onder: De beste leraar van Duitsland is de Führer. Is de tekenaar voor of tegen de nazi’s? Ondersteun je antwoord met een concreet voorbeeld uit de tekening. Antwoord: Tegen de nazi’s. De tekenaar drijft spot met de nazi’s. Onder de woorden lang, slank en blond staan tegenovergestelde voorbeelden. Deze personen maken echter wel deel uit van Hitler’s partij.
- Slides: 51