HAVO 4 HOOFDSTUK 1 Schaarste en welvaart Paragraaf





























- Slides: 29
HAVO 4 HOOFDSTUK 1 Schaarste en welvaart
Paragraaf 1. 1 Inkomen en welvaart ■ Deelvraag 1. 1 slaan we voor dit moment over ■ Indexcijfers komen later aan de orde
Welvaart en schaarste ■ Behoeften: alles wat je wilt hebben ■ Welvaart is de mate waarin je kunt voorzien in je behoeften – Basisbehoeften: alles wat je nodig hebt om in leven te blijven zoals eten, drinken, kleding, medicijnen, onderdak – De rest is luxe ■ Vervullen van behoeften door: – Kopen – Zelf maken of verbouwen – Ruilen
Productiefactoren ■ De meeste behoeften worden vervuld door spullen te kopen ■ Maar die spullen moeten gemaakt worden ■ De hoeveelheid spullen die gemaakt kunnen worden zijn afhankelijk van de productiefactoren Kapitaal, Arbeid, Natuur en Ondernemerschap (KANO) ■ Die productiefactoren zijn niet oneindig, maar onze behoeften wel
Schaarste ■ Schaarste: met de beperkte hoeveelheid productiefactoren kunnen niet voldoende producten gemaakt worden om onze oneindige behoeften te vervullen ■ Omdat de productiefactoren KANO betaald moeten worden, moet er ook voor producten die met productiefactoren gemaakt zijn betaald worden: – Het product heet dan een schaars product ■ In de economie is schaars dus NIET gelijk aan zeldzaam
Welvaart in ruime en enge zin - 1 ■ Welvaart: voorzien in je behoeften ■ Hoe meer welvaart je hebt, hoe meer behoeften je kunt vervullen – Geld – Mantelzorg – Vrijwilligerswerk – Zelf maken of verbouwen – Ruilen
Welvaart in ruime en enge zin - 2 ■ Welvaart in enge zin: jouw koopkracht bepaalt jouw welvaart – Hierbij kijken we dus alleen naar hoeveel geld je hebt ■ Welvaart in ruime zin: alle manieren om in jouw behoeften te voorzien
Welvaart in enge zin ■ Stijging van de welvaart in enge zin betekent niet dat de welvaart in ruime zin stijgt ■ Productiegroei zorgt voor problemen – milieuvervuiling, uitputting van natuurlijke hulpbronnen, gezondheidsklachten ■ Gemiddelde koopkrachtstijging zegt niets over de verdeling ervan – De 26 rijkste mensen op de wereld hebben evenveel vermogen als de 3, 8 miljard armsten – Dus niet iedereen profiteert evenveel van productiegroei
Welvaart in ruime zin ■ Welvaart in ruime zin kan stijgen zonder dat de welvaart in enge zin stijgt ■ Productie waarmee geen inkomen verdiend wordt telt niet mee in enge zin maar zorgt wel voor een toename van de welvaart in ruime zin – Vrijwilligerswerk – Een studie volgen ■ Ook zijn mensen in de loop van de tijd minder gaan werken = meer vrije tijd – Welvaart ruim gestegen, welvaart eng niet veranderd
Welzijn ■ Naast welvaart kennen we ook het begrip welzijn ■ Welzijn is hoe gelukkig je je voelt ■ Vanouds kijkt economie alleen naar welvaart ■ Gelukkig is er steeds meer aandacht voor welzijn Ω paragraaf 1. 1
Paragraaf 1. 2 Schaarste en kiezen ■ Omdat je meer behoeften hebt dan middelen zul je moeten kiezen ■ Je moet prioriteiten stellen want jouw middelen zijn alternatief aanwendbaar – Alternatief aanwendbaar: voor meer zaken inzetbaar ■ Bij alternatief aanwendbaar komen de opofferingskosten om de hoek ■ Opofferingskosten: de opbrengsten van het beste niet gekozen alternatief
Opofferingskosten Personen ■ Dilemma – Avondje oppassen levert € 25 op – Avondje economie studeren levert een goed cijfer op de toets op ■ Keuze oppassen: je opofferingskosten zijn een goed cijfer voor economie – Motivatie: je staat gemiddeld een 8, 7 voor economie en je kunt het geld goed gebruiken ■ Keuze studeren: je opofferingskosten zijn € 25 – Motivatie: haal je een 7 voor economie wordt je gemiddelde 5, 75 en ga je over, haal je een 5 dan wordt je gemiddelde 5, 45 en blijf je zitten ■ Meestal, zo niet altijd, wordt gekozen voor het alternatief met de laagste opofferingskosten
Opofferingskosten Bedrijven ■ Dilemma – Vrachtje 1 vervoeren voor een vaste klant levert € 400 op – Vrachtje 2 vervoeren voor een incidentele klant levert € 450 op ■ Keuze vrachtje 1: de opofferingskosten zijn € 450 – Motivatie: jouw vaste klant levert iedere week geld op, dat laat je niet lopen voor eenmalige klant die € 50 meer oplevert ■ Keuze vrachtje 2: je opofferingskosten zijn € 400 – Motivatie: vrachtje 2 levert het meeste op, dus zijn de opofferingskosten het laagst ■ Hier zal niet gekozen worden voor het alternatief met de laagste opofferingskosten; je kunt je vaste klant kwijtraken
Budgetlijn - 1 ■ De budgetlijn laat zien welke combinaties je van twee producten kunt kopen gegeven een bepaald budget ■ Alle combinaties die op de budgetlijn liggen, kun je – in theorie – kopen ■ Voorbeeld ■ Lianne heeft een budget van € 100 ■ Ze geeft haar budget alleen uit aan – Kleding: kost gemiddeld € 20 per kledingstuk – Sieraden: kost gemiddeld € 10 per sieraad
Budgetlijn – 2 Tekenen ■ Gegevens – Budget Y = € 100 – Prijs sieraad: € 10 – Prijs kleding: € 20 ■ Maximale hoeveelheid sieraden: € 100 : € 10 = 10 ■ Maximale hoeveelheid kleding: € 100 : € 20 = 5
Budgetlijn – 3 Afleiding ■ Gegevens – Budget Y = € 100 – Prijs sieraad: P 1 = € 10 – Hoeveelheid sieraad: Q 1 – Prijs kleding: P 2 = € 20 – Hoeveelheid kleding: Q 2 ■ Afleiding budgetlijn – P 1 x Q 1 + P 2 x Q 2 = Y – 10 Q 1 + 20 Q 2 = 100 – 10 Q 1 = − 20 Q 2 + 100 – Q 1 = − 2 Q 2 + 10 Ω paragraaf 1. 2 → → →
Paragraaf 1. 3 Arbeidsverdeling, welvaart en ruil ■ Arbeidsverdeling: in plaats van alles zelf te doen, de arbeid verdelen over meerdere mensen ■ Hierdoor maak je gebruik van hun kwaliteiten ■ Gevolg: de arbeidsproductiviteit neemt toe ■ Arbeidsproductiviteit: de productie per werkende per tijdseenheid
Arbeidsverdeling - 1 Benodigd aantal uren per week per taak in het gezin Kinderen verzorgen Tuinieren Huishouden Dennis 12 4 10 Mandy 8 3 15 § Zoals je kunt zien, zijn Dennis en Mandy voor verschillende taken een verschillend aantal uren bezig § Als Dennis alleen doet, is hij 26 uur bezig § Als Mandy alles alleen doet, is zij ook 26 uur bezig § Zouden ze ieder de helft van de taken doen zijn ze samen kwijt: 6 + 2 + 5 + 4 + 1, 5 + 7, 5 = 26 uur § Kan dat anders? Ja, door gebruikte maken van hun kwaliteiten
Arbeidsverdeling - 2 § § Dennis doet 12 : 8 = 1, 5 x zo lang over kinderen verzorgen; Mandy verzorgt de kinderen Mandy doet 15 : 10 = 1, 5 x zo lang over het huishouden; Dennis doet huishouden Dennis is iets minder goed in tuinieren: 4 : 3 = 1, 33 Tuinieren verdelen ze samen: Mandy 2 uur en dan moet Dennis nog 1, 33 uur tuinieren Optimale taakverdeling Kinderen verzorgen Tuinieren Huishouden Dennis 0 1, 33 (0) 10 Mandy 8 2 0 (3) Gevolg van deze arbeidsdeling: Dennis werkt in totaal 11, 33 uur en Mandy 10 uur per week: samen 21, 33 uur Ze hebben dus samen 4, 67 uur tijdwinst! (Het kan in nog minder tijd als Mandy ook het tuinieren alleen doet: samen 21 uur)
Arbeidsverdeling - 3 ■ Bij arbeidsverdeling wordt dus gekeken naar waarin iemand relatief het meest productief is (Mandy kinderen verzorgen, Dennis het huishouden) ■ En waarin iemand relatief het minst onproductief is (Dennis tuinieren)
Arbeidsverdeling en welvaart ■ Arbeidsverdeling zorgt voor meer welvaart ■ Bedrijven gaan zich specialiseren: ze gaan doen waarin ze goed zijn ■ Gevolg: hogere arbeidsproductiviteit en dus meer welvaart ■ Maar arbeidsverdeling maakt ruilen noodzakelijk
Transactiekosten ■ Ruilen heeft als probleem dat je iedere keer weer iemand moet vinden om mee te kunnen ruilen ■ Jij wilt namelijk jouw eigen behoeften vervullen ■ Trasactiekosten: alle bijkomende kosten bij de aan- of verkoop van een product – Bijvoorbeeld reistijd, zoektijd ■ Tegenwoordig gebruiken we geld als ruilmiddel; minder transactiekosten – Nog steeds zoektijd maar ook verzendkosten Ω paragraaf 1. 3
Paragraaf 1. 4 Ruilen en geld ■ Voordat geld gebruikt werd als ruilmiddel werden goederen tegen goederen geruild ■ Directe ruil of ruil in natura: goederen ruilen tegen goederen – Directe ruil = hoge transactiekosten ■ Indirecte ruil: geld wordt als ruilmiddel gebruikt – Indirecte ruil = lage(re) transactiekosten ■ Transactiekosten zijn ook in geld uit te drukken: – Als je in plaats van zoeken enzovoort, had kunnen gaan werken – De transactiekosten komen dan overeen met de opofferingskosten
Soorten geld ■ Er bestaan 2 soorten geld: ■ Chartaal geld is tastbaar geld: munten en bankbiljetten in handen van het publiek ■ Giraal geld is ontastbaar geld: geld op een bankrekening of direct opvraagbare spaarrekening in handen van het publiek ■ Maatschappelijke geldhoeveelheid: alle chartale en girale geld in handen van het publiek
Opkomst van giraal geld ■ Giraal geld is tegenwoordig veel belangrijker dan chartaal geld ■ Denk aan: – Pinnen – Creditcard – Mobiel betalen – Tikkie ■ Girale betalingen zijn sneller, veiliger en goedkoper
De drie functies van geld ■ Ruilfunctie – Je ontvangt geld voor arbeid en gebruikt het geld om goederen te kopen – Ontvangen en uitgeven van geld is Ruilen ■ Rekenfunctie – Hierbij gebruik je geld om de waarde van producten te vergelijken – Je vergelijkt dus de prijzen ■ Oppotfunctie – Je doet tijdelijk niets met je geld – Het zit in je spaarpot of je bewaart het giraal
Geld en vertrouwen ■ Geld kent een algemeen aanvaarde waarde en een materiaalwaarde ■ Intrinsieke waarde: wat is de materiaalwaarde van de munt of bankbiljet ■ Extrinsieke of nominale waarde: is de algemeen aanvaarde waarde die op de munt of bankbiljet staat ■ Vroeger was de intrinsieke en de extrinsieke waarde van een muntstuk gelijk – De metaalwaarde en de nominale waarde van een gouden tientje waren gelijk
Wet van Gresham § De wet van Thomas Gresham luidt: “Bad money driver out good money” § Good money: geld waarvan de intrinsieke waarde gelijk is aan de nominale waarde § Bad money: geld waarvan de intrinsieke waarde kleiner is dan de nominale waarde § Als beiden naast elkaar gebruikt worden, betalen mensen het slechte geld en houden het goede achter § Langzaam verdwijnt dan het goede geld
Geld is een vertrouwenskwestie ■ In deze tijd gaat de Wet van Gresham niet meer op ■ De nominale waarde van ons geld is altijd hoger dan de intrinsieke waarde – Een bankbiljet van € 100 heeft een materiaalwaarde van pakweg € 0, 15 – Een muntje van € 0, 10 heeft een lagere materiaalwaarde – Muntjes van € 0, 01 en € 0, 02 worden niet meer gebruikt: de materiaalwaarde is hoger dan de nominale waarde ■ We moeten dus erop vertrouwen dat ons geld algemeen geaccepteerd wordt en zijn waarde behoudt: het is fiduciair geld ■ Vertrouwen = fiducie, dus geld is een vertrouwenskwestie Ω paragraaf 1. 4