H 7 SAMENWERKEN Introductie Hoofdvraag Waarom en hoe


























- Slides: 26
H 7 SAMENWERKEN
Introductie ■ Hoofdvraag Waarom en hoe kan door samenwerking worden voorkomen dat het nastreven van eigenbelang ten koste kan gaan van het gemeenschappelijke belang? ■ Deelvragen 7. 1 Welk dilemma bestaat er bij de keuze tussen samenwerken en concurreren? 7. 2 Welke voor- en nadelen zijn er verbonden aan samenwerking vergeleken met een prijzenoorlog? 7. 3 Hoe grijpt de overheid in als tegenstrijdige individuele belangen het algemeen belang kunnen schaden?
7. 1 HET GEVANGENENDILEMM A
Speltheorie Simultaan en non-coöperatief ■ Het spel dat gespeeld wordt in dit voorbeeld heet Het Gevangenendilemma, ook wel Prisoner’s Dilemma ■ Uitgangssituatie: – Twee spelers, in dit geval gevangenen – Hebben een gewapende roofoverval gepleegd – Verboden wapenbezit kan bewezen worden maar – Voor de overval moeten ze een belastende verklaring afleggen – Ze hebben onderling geen contact: non-coöperatiefspel – En ze moeten gelijktijdig beslissen zonder de strategie van de ander te kennen
Speltheorie Simultaan en non-coöperatief ■ De officier van justitie legt ze – los van elkaar – het volgende voor: – Jij verlinkt de ander, jouw handlanger zwijgt: Jij gaat vrijuit, jouw handlanger krijgt 8 jaar cel – Jij zwijgt, jouw handlanger verlinkt jou: Jij krijgt 8 jaar cel, jouw handlanger gaat vrijuit – Jij zwijgt, jouw handlanger zwijgt: Jullie krijgen beiden 1 jaar cel wegens verboden wapenbezit – Jij verlinkt de ander, jouw handlanger verlinkt jou: Jullie krijgen beiden 5 jaar cel voor de overval
Speltheorie Simultaan en non-coöperatief ■ De uitkomsten staan in bovenstaande matrix – Het linkerdeel van de cel is de uitkomst van speler 1 als gevolg van de keuze van speler 2 – Het rechterdeel van de cel is de uitkomst van speler 2 als gevolg van de keuze van speler 1
Speltheorie Simultaan en non-coöperatief ■ Welke keuze maakt speler 1? – Stel: speler 2 zwijgt en jij moet kiezen tussen zwijgen en verlinken – Als jij ook zwijgt, krijg je 1 jaar cel – Als je je handlanger verlinkt, krijg je 0 jaar cel – Dus jij kiest voor verlinken: 0 jaar is gunstiger dan 1 jaar
Speltheorie Simultaan en non-coöperatief ■ Welke keuze maakt speler 1? – Stel: speler 2 verlinkt je en jij moet kiezen tussen zwijgen en verlinken – Als jij zwijgt, krijg je 8 jaar cel – Als je je handlanger verlinkt, krijg je 5 jaar cel – Dus jij kiest voor verlinken: 5 jaar is gunstiger dan 8 jaar ■ De keuze van speler 1 is in beide gevallen VERLINKEN: zijn dominante strategie
Speltheorie: Simultaan en noncoöperatief ■ Welke keuze maakt speler 2? – Stel: speler 1 zwijgt en jij moet kiezen tussen zwijgen en verlinken – Als jij ook zwijgt, krijg je 1 jaar cel – Als je je handlanger verlinkt, krijg je 0 jaar cel – Dus jij kiest voor verlinken: 0 jaar is gunstiger dan 1 jaar
Speltheorie: Simultaan en noncoöperatief ■ Welke keuze maakt speler 2? – Stel: speler 1 verlinkt je en jij moet kiezen tussen zwijgen en verlinken – Als jij zwijgt, krijg je 8 jaar cel – Als je je handlanger verlinkt, krijg je 5 jaar cel – Dus jij kiest voor verlinken: 5 jaar is gunstiger dan 8 jaar ■ De keuze van speler 2 is in beide gevallen VERLINKEN: zijn dominante strategie
Het keuzeproces m. b. v. streepjes-zetten ■ Er is 2 x sprake van een dominante strategie – speler 1 kiest altijd voor verlinken; speler 2 kiest altijd voor verlinken ■ Er is sprake van een gevangenendilemma – Doordat de spelers vasthouden aan hun dominante strategie is de uitkomst niet optimaal
Nash evenwicht ■ Door het volgen van hun dominante strategie is de uitkomst voor beiden niet gunstig – Ieder kiest voor verlinken en dus krijgt ieder 5 jaar cel ■ Er is echter een betere uitkomst mogelijk – Beide kiezen ze voor zwijgen en dat levert voor ieder maar 1 jaar cel op ■ Het bereikte evenwicht heet het Nash evenwicht: het evenwicht waarbij het voor geen enkele partij voordelig is ervan af te wijken als de ander dat ook niet doet
Andere uitkomsten van nietcoöperatieve spellen ■ Zelfbinding: een speler kiest vrijwillig een strategie, waarbij rekening gehouden wordt met de belangen van de andere spelers om daar uiteindelijk zelf beter van te worden ■ Reputatie/geloofwaardigheid: jouw reputatie/geloofwaardigheid bepaalt jouw strategie – Heb jij wat belooft en kom je dat na, dan komt dat jouw reputatie/geloofwaardigheid ten goede ■ Maar vaak is sprake van oog-om-oog: jij zweeg en dat doe ik de volgende keer dus ook ■ Of: jij hebt mij de vorige keer verlinkt en daarom verlink ik jou deze keer Ω paragraaf 7. 1
7. 2 PRIJZENOORLOG OF SAMENWERKEN
Gevangenendilemma en prijzenoorlog ■ Met het gevangenendilemma kan een prijzenoorlog verklaard worden ■ Hieronder de winsten van 2 hamburgerrestaurants bij prijsverlaging en prijshandhaving
De dominante strategieën ■ Met behulp van de streepjesmethode is te zien dat beide hamburgerrestaurants kiezen voor prijsverlaging; beider winst daalt met € 20. 000 ■ Het begin van een prijzenoorlog ■ Toch zouden beide beter af zijn bij prijshandhaving: beider winst blijft € 100. 000
Zelfbinding, reputatie en herhaling bij samenwerking ■ Zelfbinding, reputatie en herhaling kunnen een rol spelen bij het al dan niet ontstaan van een prijzenoorlog ■ Zelfbinding: een speler kiest vrijwillig een strategie waarbij rekening gehouden wordt met de belangen van de andere speler om er zelf beter van te worden – Mc. Duck geeft aan voor prijshandhaving te gaan ■ Hierbij is de reputatie belangrijk: heeft een speler de reputatie zich altijd aan zijn woord te houden, dan hoeft een prijzenoorlog niet uit te breken – Mc. Duck houdt altijd woord, dus zal niet alsnog de prijzen verlagen ■ Tit-for-tat (oog om oog): Mc. Duck verlaagt de prijzen toch; reputatie naar de knoppen en Mc. Queen reageert onmiddelijk
Kartelvorming ■ Prijzenoorlog leidt tot dalende winsten dus samenwerken is beter ■ Soms ontaardt de samenwerking in (verboden) kartelvorming, vooral op oligopolistische markten ■ Kartelvorming gebeurt om de prijzen op te drijven, dus de vragers te benadelen ■ Soorten kartel – Prijskartel: er worden prijsafspraken gemaakt – Productiekartel: afgesproken productiebeperking leidt tot hogere prijzen – Rayonkartel: de afzetgebieden worden verdeeld
Mededingingswet en de ACM ■ De Mededingingswet – Verbiedt kartels – Verbiedt het misbruik van economische macht – Verplicht bedrijven een vergunning aan te vragen ■ ■ De ACM doet zelf onderzoek ■ De ACM maakt ook gebruik van de clementieregeling ■ Clementieregeling: het bedrijf dat het kartel opbiecht krijgt geen of een beperkte boete Bij fusie Bij overname van een ander bedrijf De ACM, Autoriteit Consument & Markt – Ziet toe op naleving van de Mededingingswet – Kan (forse) boetes opleggen Ω paragraaf 7. 2
7. 3 DWANG BIJ COLLECTIEVE GOEDEREN
Individuele en collectieve goederen ■ Individuele goederen: bijvoorbeeld een brood – Goederen die kunnen worden gesplitst in individueel leverbare eenheden – Waarvoor een prijs kan worden gevraagd – Die geleverd kunnen worden door de markt – Waarvan je kunt worden uitgesloten ■ Collectieve goederen: bijvoorbeeld een dijk – Goederen die niet gesplitst kunnen worden in individueel leverbare eenheden – Waarvoor geen prijs kan worden vastgesteld – Die dus niet door de markt kunnen worden geleverd, maar door de overheid – Waarvan je niet uitgesloten kunt worden
Quasi-collectieve goederen ■ Individuele goederen die geleverd worden door de overheid: bijvoorbeeld onderwijs – Omdat de overheid wil dat ze tegen een redelijke prijs worden aangeboden – Omdat de overheid de kwaliteit ervan wil waarborgen
Collectieve goederen en gevangenendilemma ■ Het marktmechanisme werkt niet bij collectieve goederen – Deltawerken, dijken, polders zouden niet gerealiseerd zijn ■ Voorbeeld Deltawerken – Stel: jij, en alle andere Nederlanders, staan voor de vrijwillige keuze om al dan niet bij te dragen aan de uitvoering van de Deltawerken – Bij voldoende inkomsten worden de Deltawerken gerealiseerd – In de volgende uitbetalingsmatrix staan de opbrengsten van 2 personen
Deltawerken uitbetalingsmatrix
Deltawerken: uitkomst ■ Dominante strategie belastingbetaler 1: NIET bijdragen; + is beter dan 0, 0 is beter dan – – Belastingbetaler 1 denkt: als anderen betalen, hoef ik dat niet te doen ■ Dominante strategie belastingbetaler 2: NIET bijdragen; + is beter dan 0, 0 is beter dan – – Belastingbetaler 2 denkt: als anderen betalen, hoef ik dat niet te doen ■ Beide belastingbetalers willen meeliften op de bereidheid van anderen om te betalen ■ Gevolg: niemand betaalt, geen Deltawerken
Externe effecten & collectieve dwang ■ Meeliften leidt tot negatieve externe effecten – Er is wel behoefte aan het goed, maar op basis van de dominante strategieën wil niemand eraan betalen – Wordt het wel gerealiseerd (niet iedereen lift mee) dan moeten de betalers naar verhouding veel te veel betalen – De meelifters zijn consumenten die een te lage – zelfs geen – prijs betalen – De welvaart wordt negatief beïnvloed ■ Collectieve dwang – Het gemeenschappelijk belang is niet gediend – Dus zorgt de overheid ervoor – En laat iedereen betalen via de belastingen: collectieve dwang Ω paragraaf 7. 3 en hoofdstuk 7