Fokkerij 1 1 Wat is genetica Uitleg project




























- Slides: 28
Fokkerij 1. 1 Wat is genetica?
Uitleg project � Zie themabundel
Uitvinder erfelijkheidsleer: Gregor Mendel
GENETICA (enkele begrippen) � Erfelijke aanleg (50% genen vader/50%genen moeder) � Genotype: genen (ook wel DNA) � Invloed milieu � Fenotype = genotype + milieu (omgeving) � Voorbeeld fenotype: lengte ◦ Milieu: voeding ◦ Genotype: de genen van de ouders
Opdracht � Bedenk in 2 -tallen 3 voorbeelden hoe in de veehouderijpraktijk het milieu een positieve of negatieve invloed kan hebben op het fenotype. � Schrijf � We deze voorbeelden op. bespreken de voorbeelden klassikaal.
1. 2 DNA � Genen omschreven in een “code”: het DNA � Opgeslagen in celkern � Samensmelting eicel/spermacel ouders � Genen van beide ouders (50/50) � DNA b. v. karakter en lichamelijke eigenschappen
CHROMOSOMEN � DNA opgedeeld in chromosomen � Elke diersoort vast aantal � Afwijkend aantal kan problemen geven � Chromosomenparen(“bijna”gelijk aan elkaar) � Elke chromosoom komt dus 2 x voor � Geslachtschromosomen: X & Y ◦ Hierop liggen genen die geslachtskenmerken bepalen ◦ XY; man ◦ XX; vrouw
Aantal chromosoomparen
Opdracht Bioplek � Ga naar www. bioplek. org � Klik op Nieuw-inhoud � Klik op celdelingen bij onderbouw theorie � Bestudeer de presentatie over de gewone celdeling en de reductiedeling. � Leg in eigen woorden op papier uit wat het verschil is. � Werk in tweetallen. � (Voer de presentatie zoals die staat op www. bioplek. org uit voor de klas. )
1. 3 Wat zijn genen en allelen?
Genen en allelen � Een gen is een stukje DNA van een chromosoom dat een kenmerk beïnvloedt. � Chromosomenpaar: elk gen komt dus 2 keer voor � Voor iedere eigenschap zijn 1 of meerdere genen verantwoordelijk � Beide genen hoeven niet altijd gelijk te zijn: De 2 genen van een genenpaar noem je allelen. ◦ Voorbeeld: kleur van de ogen.
Homozygoot/heterozygoot � Beide allelen hetzelfde: homozygoot � Beide allelen verschillend: heterozygoot
Dominant of recessief? Wanneer het ene allel het andere allel overheerst, noem je het overheersende allel dominant. Voorbeeld: Je hebt een allelenpaar Aa � A is dominant over a. � Het onderdrukte allel (a) noem je recessief. Bijvoorbeeld haarkleur bij Holsteinkoeien. (zwart is dominant over rood)
Dominant of recessief of. . � In veel gevallen worden de “scores” van beide allelen bij elkaar opgeteld en gemiddeld. Dat noem je intermediaire overerving. Bijvoorbeeld melkproductie
Vragen � Maak de vragen 1. 3 t/m 1. 5 van Hoofdstuk 1
1. 4 Waarom zijn twee volle broers genetisch niet gelijk? � Dit komt door: � 1 de vorming van de geslachtscellen. � 2 de combinatie van geslachtscellen � 3 veranderingen op het DNA: mutaties
1 vorming van geslachtscellen Op het laatste moment worden er nog genen uitgewisseld! Dit is iedere keer anders. Dus iedere keer andere nakomelingen.
2 De combinatie van geslachtscellen Bij heterozygote combinaties kunnen er meerdere, verschillende nakomelingen geboren worden.
3 Veranderingen op het DNA: mutaties � Stille mutatie: geen effect � Lethale mutatie: dodelijk � Functionele mutatie: positief, negatief of neutraal
1. 5 Heeft elk gen een andere functie? � Monogene kenmerken, bepaald door 1 gen ◦ Bijv. haarkleur � Polygenen kenmerken, bepaald door meerder ◦ Bijv. melkproductie, vleesproductie
� Risicodragers: een gen is behoorlijk bepalend ◦ Bijv. borstkanker � Variatie in hondenrassen ◦ door selectie
1. 6 Genetische variatie � Afhankelijk van 1 aantal verschillende allelen 2 de verspreiding van die allelen(veel of weinig van elk)
Een gen, 2 allelen A 1 A 2 A 1 A 2 A 2 A 2
2 genen, 2 allelen
Weergave genetisch variatie
Maken � Vraag 1. 6 van Fokkerij hfdst 1 op wijiwijs � Meerkeuzevragen over 1. 1 t/m 1. 6 “wat is genetica en hoe erft iets over” van het leerarrangement Genetica en Fokkerij