FEEDBACK en REFLECTIE Orintatie Minor Werkplekleren 2018 PORTFOLIO
FEEDBACK en REFLECTIE Oriëntatie Minor Werkplekleren 2018
PORTFOLIO Voorbereiding/ uitvoering reflectie Lesobservaties: - portret van een klas - de vijf docentrollen Lesvoorbereiding Lessen geven SBL competenties: - 1 interpersoonlijk - 2 pedagogisch - 3 vakinhoudelijk en didactiek - 4 organisatorisch - 7 reflectie en ontwikkeling Onderwijsvisie / Ken je school feedback
Wat is het verschil? feedback reflectie COMMUNICATIEPROCES DENKPROCES interpersoonlijk intrapersoonlijk
Communicatie COMMUNICATIEPROCES interpersoonlijk WIN - WIN Procedure Inhoud Relatie Gewenste doel Huidige performance Hoe verder? Taak Proces/aanpak Zelfregulatie Ik-boodschap Persoon
Feedback ontvangen GEVEN ONTVANGEN Feed-up: Doel bepalen waarom FB Toestemming vragen Start met positieve FB/ gewenste situatie Feed-up: Doel bepalen waarom FB Vraag om FB Sta open voor FB Feed back: Daarna beschrijving huidige performance (situatie/gedrag) Feed-back: Probeer te begrijpen wat FB voor je betekent toon waardering stel vragen Feed forward: Hoe verder? Zorg dat ontvanger iets met FB kan Eindig met een positieve noot Feed forward: FB relevant: Ja, doe er iets mee Vertel wat je gaat doen Nee, uitleggen eigen inzicht Dwing jezelf eerst goed na te denken voordat je in de communicatie met de ander reageert op gegeven feedback
LEERLINGEN FEEDBACK GEVEN TAAK/RESULTAAT: als ze iets nieuws leren PROCES/STRATEGIE/AANPAK: als ze de basiskennis beheersen ZELFREGULATIE: als de stof wordt herhaald
Wat is feedback? “The main purpose of feedback is to reduce discrepancies between current understandings and performance, and a goal. ” (Hattie & Timperley, 2007) manc r o f r e p t n curre e goal
Wat is feedback? Verleden Heden Toekomst Tot waar ging het (nog) goed? Waar staat de lerende nu? Waar ging het fout?
Wat is feedback? Verleden Tot waar ging het (nog) goed? Heden Waar staat de lerende nu? Wat ging er goed? Toekomst Wat is de eerstvolgende stap? (In relatie tot: waar kan/moet de lerende uitkomen? )
• Verleden • Heden • Toekomst vier niveaus
Vier niveaus • • (Deel)taakniveau Procesniveau Niveau van zelfregulatie ‘Zelf’-niveau
Vier niveaus • (Deel)taakniveau: eenvoudige, lineaire taken • Procesniveau: taken met elkaar verbinden • Niveau van zelfregulatie: in staat zijn om tijdens het proces interventies te plegen • ‘Zelf’-niveau: zelfbeeld/self-efficacy
Vier niveaus 1. “Je hebt een mooi artikel geschreven, Josje! Kijk nog eens naar de beoordelingscriteria. Misschien dat je op spelling en inhoud nog verbeteringen kunt aanbrengen. ” (Bijvoorbeeld bij schrijfvaardigheid Duits) 2. “Klasse, Lennart! Jij bent echt een topper!” (Bijvoorbeeld bij O&O) 3. “Ik merk dat je moeite hebt met het onderwerp en het lijdend voorwerp. Laten we deze zinnen nog eens samen oefenen. En we beginnen stap voor stap. Jij bent aan het woord, ik luister. ” (Bijvoorbeeld bij Nederlands: zinsdelen benoemen) 4. Wat moet je doen, vóórdat je met koken kunt beginnen? (Bijvoorbeeld bij het bereiden van een maaltijd bij Zorg & Welzijn) 5. We hebben alle onderdelen van de arabier over de kast los geoefend. Ik zie dat je er klaar voor bent: durf je het aan om met de trampoline over de kast te springen? Laat maar zien! (Bijvoorbeeld bij een gymles)
Vier niveaus 1. “Je hebt een mooi artikel geschreven, Josje! Kijk nog eens naar de beoordelingscriteria. Misschien dat je op spelling en inhoud nog verbeteringen kunt aanbrengen. ” (Bijvoorbeeld bij schrijfvaardigheid Duits) 2. “Klasse, Lennart! Jij bent echt een topper!” (Bijvoorbeeld bij O&O) 3. “Ik merk dat je moeite hebt met het onderwerp en het lijdend voorwerp. Laten we deze zinnen nog eens samen oefenen. En we beginnen stap voor stap. Jij bent aan het woord, ik luister. ” (Bijvoorbeeld bij Nederlands: zinsdelen benoemen) 4. Wat moet je doen, vóórdat je met koken kunt beginnen? (Bijvoorbeeld bij het bereiden van een maaltijd bij Zorg & Welzijn) 5. We hebben alle onderdelen van de arabier over de kast los geoefend. Ik zie dat je er klaar voor bent: durf je het aan om met de trampoline over de kast te springen? Laat maar zien! (Bijvoorbeeld bij een gymles)
Kenmerken effectieve feedback Effectieve feedback (= leerbevorderende feedback) moet voldoen aan een aantal criteria: • Feedback richt zich op een specifiek doel; • Feedback kent een verleden, heden en toekomst; • De verhouding positieve en negatieve feedback verhoudt zich als 4: 1; • Feedback is kort en helder; • Feedback gaat over taak, proces (strategie, procedurele kennis), zelfregulatie.
Driedeurenmysterie • Je staat in de finale van een spelshow • Er zijn drie deuren • Achter één van de deuren staat een dure auto • Achter de andere twee staat een geit • Je wijst één deur aan
Driedeurenmysterie • Je staat in de finale van een spelshow • Er zijn drie deuren • Achter één van de deuren staat een dure auto • Achter de andere twee staat een geit • Je wijst één deur aan • Vervolgens maakt de quizmaster een andere deur open (en laat je een geit zien)
Driedeurenmysterie • Je staat in de finale van een spelshow • Er zijn drie deuren • Achter één van de deuren staat een dure auto • Achter de andere twee staat een geit • Je wijst één deur aan • Vervolgens maakt de quizmaster een andere deur open (en laat je een geit zien) • Er zijn nu nog twee deuren over.
Driedeurenmysterie Wat doe je? Blijf je bij je keuze of wissel je van deur?
Driedeurenmysterie Het is verstandig om van deur te switchen. Daarmee vergroot je de kans op de auto.
Driedeurenmysterie
Driedeurenmysterie
Driedeurenmysterie
Driedeurenmysterie
Driedeurenmysterie
Effect feedback op leergedrag Feedback Helderheid leraar Klassenmanagement Vakkennis leraar Huiswerk Overhoring Uitgewerkte voorbeelden Leren in kleine groepen Groeperen op niveau begaafde lln Micro lesgeven Opleiding leraar Directe instructie Geloofwaardigheid leraar Verwachtingen van leerlingen
Effect feedback op leergedrag Verwachtingen van leerlingen Geloofwaardigheid leraar Micro lesgeven Helderheid leraar Feedback Directe instructie Uitgewerkte voorbeelden Klassenmanagement Leren in kleine groepen Overhoring Groeperen op niveau begaafde lln Huiswerk Vakkennis leraar zitten blijven televisie mobiliteit
Na de feedback…………? voorbereiding/ uitvoering reflectie feedback gewenst doel – huidige performance – volgende stap
Doel reflectie Het verbeteren van je optreden als docent • • • Luisteren naar feedback Nadenken over de situatie Doelen helder voor ogen Beeldvorming wat te handhaven, wat te verbeteren
Gevoelssignaal: Of je wat gaat doen met FB en hoe hangt sterk af van het gevoelssignaal dat je bij die situatie hebt: • tevreden • opgelaten • verlegen • enthousiast • geblokkeerd
Reflectie: • Dwingt je je gedrag te expliciteren: je moet onbewuste processen gaan benoemen. • Maakt jezelf bewust van je eigen gedrag • Leidt tot meer zelfkennis/zelfinzicht: je leert meer over jezelf. Dit leidt tot meer begrip van het gedrag van anderen
HOE VERDER…………?
Middel: Het stellen van vragen aan jezelf. • Hierdoor orden je je gedachten en gevoelens over een betekenisvolle situatie. • En word je je bewust van je handelen.
STARRT-model: • • • S = Situatie T = Taak A = Actie R = Resultaat R = Reflectie • T = Transfer
STARRT-model: T T
Situatie: • • • Beschrijf de situatie. Wat is er gebeurd? Wie waren de betrokkenen? Waar speelde het zich af? Wanneer gebeurde het? Waarover ging het precies? Wat was de aanleiding?
Taak: • • • Wat was jouw taak in de situatie? Wat was je rol? Wat moest je doen? Wat werd er van je verwacht? Wat was je doel? Wat waren je doelen? Wat was je voornemen? Had je een plan?
Actie: • Wat heb je werkelijk gedaan? • Hoe heb je het aangepakt? • Welke afwegingen hebben daarin op dat moment een rol gespeeld? • Wat dacht je? Wat voelde je? Wat zag je voor je? • Wat was precies jouw aandeel of inbreng?
Resultaat: • Hoe is het afgelopen? • Wat kwam eruit? • Wat was de invloed van jouw aandeel op het resultaat dat je wilde bereiken? • Hoe reageerden de anderen?
Reflectie: • Was het resultaat van je actie dat wat je er mee wilde bereiken? • Heb je er iets van geleerd? • Kun je deze situatie en je handelen daarin koppelen aan een competentie uit het profiel van de beroepsbeoefenaar uit de opdracht? Als je dat kan, hoe scoorde je dan voor deze competentie?
Transfer: • Zou deze situatie zich nogmaals kunnen voordoen? • Zou je dan iets anders willen doen dan je deze keer hebt gedaan? (Wat dan, hoe, waarom? ) • Of blijf je juist hetzelfde doen? (Wat dan, hoe, waarom? )
Vervolg transfer: • Zijn er situaties denkbaar waarin je wat je gedaan hebt weer zou kunnen toepassen of juist niet weer zou willen doen? • Wat neem je jezelf voor de volgende keer voor?
Opdracht: Schrijf een korte reflectie op een voorval of activiteit waarin je vandaag betrokken was in je klas. • Gebruik het model STARRT • Formuleer verbeteringen • • Bespreek dit met je buurman/buurvrouw
STARR(T)-model:
Tips: • Schrijf in de ik-vorm • Wees bewust van je eigen interpretatie van de werkelijkheid • Blijf bij jezelf • Wees nieuwsgierig naar jezelf: onderzoek je eigen gedrag • Oordeel niet over jezelf en anderen • Kies een andere invalshoek: -wat zeggen anderen hierover? -wat zegt de literatuur hierover?
Wat is reflecteren niet? • Steeds over “fouten” en “schuld” praten. • Je zelf veroordelen voor je “fouten”. • Je fouten goed praten. • De schuld bij anderen leggen. • Jezelf opleggen alles goed te doen. • Direct naar “betere” oplossingen te zoeken.
Andere modellen • Leercirkel Kolb • Model korthagen • ABCD model • Analyse persoonlijke drijfveren
Leercirkel van KOLB
Reflectiespiraal van Korthagen:
Standaardvragen bij Korthagen: • Wat is er gebeurd? (fase 2) • Wat vond ik daarin belangrijk? (fase 3) • Tot welke voornemens/leerwensen leidt dat? (fase 4)
Reflecteren: Is dus een cyclische manier van leren: na het kiezen van een alternatief ga je dat uitproberen, etc.
Vraagwoorden die je verder helpen: • • Wat…? Welke…? Wie…? Wanneer…? Waar…? Wanneer…? Hoe…? Waarom…?
Richtvragen voor fase 2: Ik: • • Wat wilde ik? Wat voelde ik? Wat dacht ik? Wat deed ik? De leerling(en) • • Wat wilden de lln? Wat voelden de lln? Wat dachten de lln? Wat deden de lln?
ABCD-model: Korthagen heeft geleid tot ABCD-model: • • A = wat was er voor jou Aan de orde? B = wat is daar voor jou Belangrijk aan? C = welke Conclusies trek je daaruit? D = wat ga je Doen? waar ga je (niet) mee Door?
Vragen bij ABCD-model: • Aan de orde: -wat was er aan de hand? -verliep alles volgens plan? -hoe was de sfeer?
Vragen bij ABCD-model: • Belangrijk: -wat dacht ik? -wat voelde ik? -wat leerde ik? -wat was positief? -wat kon beter?
Vragen bij ABCD-model: • Conclusie: -wat wil ik veranderen? -hoe wil ik dat aanpakken? -wie heb ik daarbij nodig?
Vragen bij ABCD-model: • Doen: -wat ga ik doen? -waar ga ik dat doen? -wanneer ga ik dat doen?
Waarneembaar voor anderen: -wat je doet (je handelen) Niet-waarneembaar: - je beleving - wat je denkt - wat je voelt - wat je wilt
Reflectievragen: Reflectievragen richten zich op de hele ijsberg: -Wat doe je? -Wat vind je? -Wat wil je? -Kennis en vaardigheden -Opvattingen -Normen en waarden -Eigenschappen -Motieven -Drijfveren
DRIJFVEREN Status Autonomie Zingeving Materiële Macht en Sociale Zekerheid Specialisme beloning invloed contacten creativiteit
- Slides: 61